Banner
   

Nieuws

Schep meer duidelijkheid over reikwijdte nationaal ruimtelijk beleid

12-10-2011

Schep meer duidelijkheid over reikwijdte nationaal ruimtelijk beleid

Uit: Cobouw

Den Haag - Het scheppen van meer duidelijkheid over de reikwijdte van het nationale ruimtelijke beleid en de formele verantwoordelijkheid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is geen overbodige luxe, meent Hugo Priemus. Op vele terreinen kunnen we de minister niet missen.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van minister Schultz staat in het teken van de decentralisatie van ruimtelijke beleidstaken naar provincies. Sommige commentatoren hebben kritische kanttekeningen geplaatst bij dit streven. Zij zien er een breuklijn in met het recente verleden waarin nationaal ruimtelijk beleid, met thema’s als groeikernen, Groene Hart en Vinex-locaties wereldberoemd is geworden. Naar mijn mening moet dat recente verleden niet worden geïdealiseerd. Het Groene Hart is de laatste decennia allerminst voor bebouwing gespaard. Bovendien pakte het rijksbeleid in de praktijk vaak wel erg uniform uit. De woonwijken in groeikernen zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Het zelfde geldt voor vele Vinex-locaties.

 

De kritiek op de delegatie van ruimtelijke beleidstaken naar provincies doet voorts onrecht van de ambities, de kennis en de professionaliteit van provincies op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, milieu- en infrastructuurbeleid. Het streven naar delegatie van beleid roept automatisch de vraag op voor welke soorten ruimtelijk beleid het Rijk wèl verantwoordelijk blijft. Op dit punt is de Structuurvisie opmerkelijk vaag. In politieke discussies weet minister Schultz de grauwsluier over de rijksverantwoordelijkheid over het ruimtelijk beleid niet helemaal weg te nemen.

 

Jammer

Dat is jammer want op vele terreinen kunnen we de minister niet missen. De minister beschikt allereerst over een arsenaal aan wettelijke instrumenten op het terrein van het ruimtelijk beleid en het grondbeleid: denk aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Grondexploitatiewet die de realisatie van beleidsdoelen op verschillende ruimtelijke niveaus dichterbij kunnen brengen.

 

Het tweede deltaplan (beleidsverantwoordelijke: staatssecretaris Atsma) schetst uitvoerig tal van ruimtelijke consequenties van dit deltaplan, zoals de kustversterking, Ruimte voor de Rivier en het peilbeheer van het IJsselmeer. Deze thema’s wijzen op de noodzaak van nationale regie (waarin de deltacommissaris een prominente rol speelt), die vervolgens uitmondt in een variëteit aan overleg en coördinatie met provincies, gemeenten en waterschappen.

 

In verschillende opzichten kunnen we het Rijk, daar waar het over ruimtelijk beleid, infrastructuurbeleid en milieubeleid gaat, beschouwen als een onmisbaar intermediair tussen internationaal beleid (meestal EU-beleid) en decentraal beleid. Zo onderhandelt het Rijk met landen die aan het bovenstrooms deel van Rijn, Maas en Schelde liggen: dat is niet de primaire taak van provincies.

Recentelijk is ook de Noordzee ontdekt als object van ruimtelijk beleid. Het is prettig dat een DG Noordzee en een DG Ruimte nu binnen hetzelfde ministerie huizen. Hier valt weinig aan provincies te delegeren.

 

Tenslotte suggereer ik dat de ruimtelijke tracering van strategische netwerken primair tot de verantwoordelijkheid van het Rijk behoort, ongeacht de eigendomsverhouding en de financiering van deze netwerken. Te denken valt aan het hoofdwegennet, het NS-kernnet, het Nederlandse deel van het Europees hsl-net, maar ook aan het net van binnenwateren (blauwe netwerk) en het groene netwerk (ecologische hoofdstructuur). Al deze netwerken zijn ingebed in internationale netwerken op een hoger schaalniveau en bepalen de randvoorwaarden waarbinnen decentrale gebiedsontwikkeling zich kan afspelen. Ook het telecomnetwerk (ict-backbones), het energienetwerk (gasrotonde) en het buizennetwerk voor olie en kerosine) horen tot deze ruimtelijk structurerende netwerken die de ligging van Nederland op het kruispunt van continentale en intercontinentale netwerken accentueert. Dit geldt tenslotte ook voor logistieke netwerken waarvan luchtverbindingen, luchthavens, oceaanverbindingen, zeehavens en binnenhavens deel uitmaken. Ook hier komt de mainportfunctie van Nederland (Schiphol, havengebied Rotterdam) al decennialang tot hun recht. Voor een deel van deze netwerken heeft het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een primaire verantwoordelijkheid. Voor de ruimtelijke aspecten en de ruimtelijke inbedding dient de bewindspersoon van Infrastructuur en Milieu expliciet verantwoordelijk te zijn. Het scheppen van meer duidelijkheid over de scope van het nationale ruimtelijke beleid en de formele verantwoordelijkheid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is geen overbodige luxe.

 

Emeritus hoogleraar

 

Technische Universiteit Delft

Twitter facebook linkedin

Copyright 2014 Nederlandse Vereniging van Rentmeesters GebruiksovereenkomstSitemap Website by:XCESS